CBS Census 2011: De bevolking van Curaçao bestaat uit 149.679 personen

Ofisina Sentral di Statistik

Persbericht

Willemstad, 26 januari 2012

Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft in de week van 26 maart tot en met 2 april
2011 een Census gehouden op Curaçao. Na deze periode heeft het CBS met man en macht
gewerkt aan de verwerking van de Censusgegevens om zo snel mogelijk de data van de
sociaal-economische situatie van Curaçao te publiceren. Vandaag presenteert het CBS
een aantal voorlopige cijfers van Census 2011. In de maand maart 2012 zullen de eerste
definitieve cijfers gepubliceerd worden. In 2012 en 2013 zullen diverse publicaties van de
Census volgen

De bevolking
Volgens de Census bedroeg het aantal inwoners van Curaçao per maart 2011 149.679 personen.
Het betreft hier een voorlopig cijfer. Vergeleken met de Census van 2001 is dit een toename van 19.052 personen. De bevolking is tussen de Census van 2001 en de Census van 2011 met 14,7% gegroeid.
De gemiddelde jaarlijkse groei in deze periode bedraagt 1,5%. Deze groei is vergelijkbaar met de
gemiddelde jaarlijkse groei van 1,4% in de periode tussen 1960-1972.

Leeftijdsopbouw van de bevolking
Qua leeftijd ontwikkelde de bevolking tussen 2001 en 2011 als volgt:
Het aantal personen in de leeftijdsgroep 60+ nam toe met 49%.
Het aantal personen in de leeftijdsgroep 15-59 nam toe met 14%.
Het aantal jongeren tot 15 jaar nam af met 5% .

Er is sprake van ontgroening en vergrijzing van de bevolking. Dit ziet men terug in de cijfers
betreffende de relatieve leeftijdsverdeling. Het aandeel jongeren is afgenomen en het aandeel
ouderen is toegenomen.

In 1960 was de leeftijdsstructuur als volgt:
0-14 jaar: 41,5%, 15-59 jaar 51,8% en 60 jaar en ouder 6,7%
In 2011 waren de cijfers als volgt:
0-14 jaar: 19,5%, 15-59 jaar 60,7 % en 60 jaar en ouder 19,8%

De bevolking naar sekse
De bevolking bestaat in 2011 uit 68.448 mannen en 81.231 vrouwen. De sexratio,
het aantal mannen per 100 vrouwen, is 84. In 2001 was de sexratio 86 mannen per 100
vrouwen, terwijl er in 1960 nog 98 mannen per 100 vrouwen waren. Het aantal vrouwen groeit
dus ten opzichte van het aantal mannen.

De huishoudens
Het aantal huishoudens is gegroeid van 42.727 in 2001 naar 54.500 in 2011. Dit is een groei van
27 %.

Het aantal huishoudens groeide sneller (27%) dan de bevolking (14,7%). Dit resulteerde
in een daling van de gemiddelde grootte van het huishouden naar 2.7 personen per huishouden.
In 1992 was dit nog 3.5 en in 2001 3.0 personen per huishouden
Het aantal huishoudens bestaande uit 1 of 2 personen is relatief toegenomen in de loop der jaren.

Woningen
Het aantal bewoonde woningen bedroeg 54.500. Het aantal onbewoonde of overige woningen
was 10.239. Hieronder vallen onbewoonde woningen (49,7%), nieuwe nog onbewoonde huizen
(9,8%), vakantiewoningen (16,8%), in aanbouw zijnde woningen (18,1%) en woningen die
bewoond worden door personen die tijdelijk verblijven op het eiland (5,6%).

Taal
In 78,6 procent van de huishoudens is Papiamentu de meest gesproken taal.
Daarna volgt Nederlands (9,4%), Spaans (6%) en Engels (3,5%). Dit is weinig
veranderd in vergelijking met 2001.

Voorzieningen binnen de woningen
Vooral de aanwezigheid van mobiele telefoons, computers en internet in huishoudens is
toegenomen in 2011. De aanwezigheid van mobiele telefoons groeide van 61% van de
huishoudens in 2001 naar 94% in 2011, de aanwezigheid van een PC of laptop van 33% in 2001
naar 63% in 2011 en 21% van de huishoudens had een internetaansluiting in 2001 tegenover
53% in 2011. De aanwezigheid van huistelefoons daalde van 76% procent in 2001 naar 71%
procent in 2011.

Overlast in de omgeving
Overlast van ongedierte in de omgeving is toegenomen van 34% naar 50%. Hinder van geen of
onvoldoende straatverlichting in de omgeving is toegenomen van 24% naar 33%
Ook sterk toegenomen zijn hinder van afval/zwerfvuil en hinder van verkeer: van 8% procent
in 2001 naar 15% procent in 2011. Overlast van drugsverslaafden is echter iets afgenomen van
9% naar 6%. Het is belangrijk te vermelden dat het bij deze ‘hinder’ gaat om de persoonlijke
beleving van de respondenten hetgeen niet overeen hoeft te komen met de feitelijke situatie.