BES-Eilanden zelf verantwoordelijk voor integriteitbeleid



DONDERDAG, 27 SEPTEMBER 2012

KRALENDIJK — De Nederlandse regering vindt integriteit in het openbaar bestuur van Caribisch Nederland een belangrijk aandachtspunt. Maar het zijn de bestuursorganen op de eilanden die primair zelf verantwoordelijk zijn voor het opzetten, implementeren en handhaven van een integriteitbeleid.

Dat antwoordt minister van Veiligheid en Justitie, Ivo Opstelten (VVD), op Kamervragen over het corruptieonderzoek op Bonaire. Nederland is daarbij verantwoordelijk voor het scheppen van de randvoorwaarden voor integriteit. De bewindsman schrijft vast vertrouwen te hebben in de rechterlijke onafhankelijkheid en geen enkele aanwijzing te hebben dat de beslissingen in de zaak tegen UPB-politici Ramoncito Booi en Burney El Hage het gevolg zijn van politieke druk of inmenging.

Volgens Opstelten is integriteit in het openbaar bestuur van Caribisch Nederland is een belangrijk aandachtspunt van de Nederlandse regering. Daarom moeten de bestuurders, volksvertegenwoordigers en ambtenaren professioneel en integer zijn en op een correcte manier met burgers en bedrijven omgaan. Ook moeten de interne verhoudingen goed zijn. Daarvoor zijn er gedragscodes over integriteit en moeten de genoemde functionarissen de eed of belofte afleggen. Daarnaast gelden voor bestuurders en volksvertegenwoordigers aanvullende vereisten, zoals ten aanzien van onverenigbare betrekkingen en verboden handelingen.

Niet bewezen

De bewindsman vindt het zorgelijk dat er al langere tijd geruchten bestaan over corruptie op Bonaire, maar schrijft ook dat geruchten geen bewezen praktijken zijn. Hij acht het wel van groot belang voor de bevolking van Bonaire, dat het bestuur integer is en dat alle mogelijke gevallen van corruptie worden aangepakt. Dat is in de corruptiezaak ook gedaan door het Openbaar Ministerie, zoals breed is uitgemeten in de media, aldus Opstelten.

Het kabinet heeft concrete informatie over mogelijke corruptiegevallen ook doorgeleid naar de verantwoordelijke justitiële autoriteiten. Hij verwijst daarbij naar het Zwartboek van Fundashon Bon Gobernashon en een nota van het Kamerlid Brinkman uit 2008, die door de toenmalige Staatssecretaris van BZK is door gezonden naar het Openbaar Ministerie op de eilanden.

Bon Gobernashon

Over de gang van zaken rond het onderzoek op Bonaire schrijft Opstelten, dat het onderzoek niet is stopgezet door de rechter-commissaris, maar dat de onderzoeksrechter een datum heeft vastgesteld, waarop het onderzoek afgerond moest zijn. Tegen deze beschikking is het OM in hoger beroep gegaan, maar werd door het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, niet-ontvankelijk verklaard. Omdat de gegeven termijn te kort was voor een dermate complex onderzoek, is de strafzaak op 17 februari 2011 door het OM geseponeerd.

Tegen dit besluit van het OM is een klacht ingediend door de Fundashon Bon Gobernashon Bonaire op grond van artikel 15 van het Wetboek van Strafvordering BES, dat door het Hof op 13 september 2012 gegrond werd verklaard voor twee dossiers die deel uitmaakten van het totale onderzoek. Het OM werd opgedragen de verdachten alsnog voor die feiten te vervolgen. Voor de overige onderzoeksdossiers is de klacht niet gegrond verklaard. Deze onderzoeken kunnen daardoor niet worden hervat.